Wat zeg je tegen een kankerpatiënt

Je heb net gehoord dat iemand waar je om geeft kanker heeft. En ineens verandert de taal in een hindernisbaan.
Je wilt iets zeggen dat helpt. Iets dat niet zwaar is, maar ook niet te luchtig, niet te optimistisch, niet te somber en vooral: niet verkeerd. Dus zeg je misschien: sterkte. Of: blijf positief. Of: je bent zo sterk.

Allemaal goed bedoeld. En daar begint het meestal ook: bij goede bedoelingen.
Toch kunnen juist die zinnen soms vreemd landen.

In dit artikel geven we je een aantal handvatten om woorden te vinden die misschien beter aansluiten.
TL;DR – je hoeft het ongemak rondom kanker niet op te lossen met taal. Je hoeft er alleen niet voor weg te lopen.

Sterkte is niet fout

Laten we eerst even zeggen: ‘sterkte’ is geen verboden woord. Het is alleen een klein woord voor iets wat enorm is.
Iemand krijgt een diagnose, moet wachten op uitslagen, belandt in een behandeltraject of leeft al maanden tussen ziekenhuizen, bijwerkingen en onzekerheid. Dan kan ‘sterkte’ voelen alsof je een pleister plakt op een slagaderlijke bloeding.

Dat betekent niet dat je niks mág zeggen totdat je een geniale zin hebt bedacht. Die zin bestaat namelijk niet. En juist omdat ‘de perfecte woorden’ niet bestaan, helpt het om het simpel te houden en eerlijk te zeggen wat er in je opkomt.

Bijvoorbeeld:
“Ik weet niet goed wat ik moet zeggen, maar ik denk aan je.”
“Wat ontzettend klote.”
“Ik wilde alleen laten weten dat ik er ben.”
Allemaal geen perfecte zinnen. Wel menselijke.

Kijk naar wat de ander nodig heeft

Geen enkele communicatiestijl valt bij iedereen en op ieder moment goed. Dat geldt in het dagelijks leven en dus ook bij kanker.


De één wil uitgebreid praten over uitslagen, behandelingen en angst. De ander wil juist een gesprek waarin het nou eens niet over kanker gaat. En wat vandaag prettig voelt, kan morgen te veel zijn.

Vaak is gewoon vragen wat op dat moment past het makkelijkst. Bijvoorbeeld: “Wil je erover praten of liever even over iets totaal anders?” Of: “Vind je het fijn als ik ernaar vraag, of wil je dat ik wacht tot je er zelf over begint?”
Daarmee geef je iemand ruimte om aan te geven wat op dat moment werkt, zonder dat die keuze meteen voor het hele traject vastligt.

Vraag minder, bied meer aan

“Laat je weten als ik iets kan doen?”. Het klinkt behulpzaam, maar legt de verantwoordelijkheid bij degene die kanker heeft. Die moet dan bedenken wat nodig is, inschatten of dat niet te veel gevraagd is en jou vervolgens ook nog antwoorden. Terwijl diegene al genoeg aan het hoofd heeft.

Een concreet aanbod maakt het makkelijker. Bijvoorbeeld:

“Ik zet donderdag eten voor de deur. Is pasta oké?”
“Ik ga zaterdag boodschappen doen. Zal ik iets meenemen?”
“Ik kan je dinsdag naar het ziekenhuis brengen.”
“Zal ik woensdag de hond een dagje nemen?”

Zo geef je iemand iets om ja of nee op te zeggen. Dat scheelt denkwerk.

En, ‘nee’ kan dus ook het antwoord zijn. Je hoeft daar niets persoonlijks achter te zoeken. Misschien is er al eten geregeld. Misschien wil iemand alleen naar het ziekenhuis. Misschien komt jouw aanbod vandaag niet uit en volgende week wel. Een nee betekent niet dat jouw aanbod niet gewaardeerd wordt. Je kunt het later nog eens vragen.

Niet alles hoeft positief gemaakt te worden

Soms kun je niets praktisch doen. Dan wil je misschien iets zeggen dat hoop geeft. “Blijf positief.” “Je bent zo sterk.” of “Jij komt hier wel doorheen.”


Ook die woorden zijn goed bedoeld. Alleen kunnen ze onbedoeld iets toevoegen aan alles wat iemand al moet: dapper zijn, vertrouwen houden en vooral niet te lang bang, boos of moedeloos blijven.

Terwijl kanker meestal gewoon klote is. Zonder lichtpuntje, les of positieve draai.

Probeer dus ruimte te laten voor wat er ook is. Bijvoorbeeld door te zeggen:
“Je hoeft je bij mij niet groot te houden.” of: “Het mag vandaag ook gewoon een rotdag zijn.” of: “Ik luister. Ook als er niets positiefs te melden is.”


Hoop mag er zijn. Humor ook. Net als angst, frustratie en complete moedeloosheid. Je hoeft geen van die gevoelens weg te praten. Erbij blijven zitten is vaak al genoeg.

Blijf niet weg omdat je bang bent iets verkeerds te zeggen

Dit is misschien wel het belangrijkste.

Sommige mensen trekken zich terug zodra kanker een gesprek ingewikkeld maakt. Ze wachten op het juiste moment, de juiste woorden of een teken dat contact welkom is.
Dat teken komt lang niet altijd.

Dus stuur dat bericht. Ook als het onbeholpen is. Ook als je niet weet hoe het ontvangen wordt. Ook als je al lang niets hebt laten horen. Je kunt gewoon beginnen met: “Ik heb lang niets gestuurd omdat ik bang was het verkeerde te zeggen. Dat was ook niet echt handig. Hoe is het nu met je?”


Misschien krijg je direct antwoord. Misschien pas later. Misschien helemaal niet. Dat maakt je bericht nog niet zinloos. Iemand die kanker heeft, heeft niet altijd de energie om te reageren, een gesprek te voeren of te vertellen hoe het gaat.


Je kunt daarom gerust af en toe iets van je laten horen zonder van ieder bericht een vraag te maken. En zonder conclusies te trekken uit het uitblijven van een antwoord.


Bijvoorbeeld:
“Ik dacht aan je.”
“Ik zag dit en moest erom lachen. Jij hopelijk ook.”

Eerlijk wint het vaak van perfect. En aanwezig blijven zegt uiteindelijk meer dan die ene zorgvuldig bedachte zin.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Comment

Shopping Cart

Your cart is empty

You may check out all the available products and buy some in the shop

Return to shop